 |
 Het dorp (deel V)
|
21 Februari 2011 | 17:23:53
 |
Het dorp (deel V)
Zo snel als hij kan sprint Polpelping door het bos. Tot twee keer toe struikelt hij bijna over een boomstronk. Hij stapt in zijn auto en steekt met gedoofde lichten de open vlakte over. Zodra hij uitstapt, ziet hij een donkere schim naast de caravan staan. Hij wil wegduiken, maar het is al te laat.
‘Staan blijven!’ Zegt de schim dwingend en ze komt op hem afgelopen, met een pistool en een zaklamp in haar handen.
Nu ze vlak voor hem staat, herkent Polpelping haar gezicht.
‘Als we daar de familieverrader niet hebben,’ zegt TanteColl vals. Ze drukt het pistool tegen zijn voorhoofd. ‘Vijftien jaar geleden vond ik je al een misselijkmakend jongetje. En moet je nu eens zien wat er van je geworden is…’
‘Ik ben prima terechtgekomen.’ Polpelping probeert nonchalant te klinken, maar zijn trillende stem verraadt dat hij bang is.
‘Denk je hier een beetje de held uit te hangen, jongen?’ TanteColls ogen spuwen vuur. ‘Jouw loyaliteit aan die vuile indringers heeft Ruud met de dood moeten bekopen. Je hebt mijn beste vriend vergiftigd en daar kom je niet mee weg.’
‘Ruud verdiende het,’ zegt Polpelping stellig.
TanteColl drukt het pistool nog steviger tegen zijn voorhoofd. ‘Je bent zelf geen haar beter,’ sist ze in zijn oor.
‘Hoe heb je me eigenlijk gevonden?’ Vraagt Polpelping. Het antwoord interesseert hem niks, maar iedere minuut die hij leeft is er één.
Een gemene grijns verschijnt op TanteColls gezicht. ‘Ik herkende je toen je naar dat lieve vriendinnetje van je ging. Je had je niet zo opzichtig in het openbaar moeten vertonen, jochie. Nu ga je eraan. En het mooie is dat je ouders me deze opdracht hebben gegeven nadat ik hen informeerde over je verblijf alhier.’
Polpelpings hart begint sneller te kloppen. Het is nu of nooit. Hij draait zich om en zet het op een lopen. De eerste kogels schieten rakelings langs hem heen, dan voelt hij een hevige pijn in zijn borst en valt hij met een klap op de grond.
Verdrietig betreedt Luctor de hal van het ziekenhuis. ‘Goedemiddag,’ zegt hij als hij voor de balie staat. ‘Ik kom voor Kokeshi.’
De medewerker toetst iets in op zijn computer. ‘Even zien, Kokeshi… Ja, hier heb ik het. Kamer 412. Dat is op de vierde etage.’
‘Bedankt.’ Luctor loopt naar de lift en drukt op het knopje. Een minuut later gaan de deuren open. Een bejaarde man met een wandelstok stapt uit en kijkt Luctor met een bedroefd gezicht aan. ‘Geniet van iedere dag die je leeft, jongen. Voor je het weet ligt je zoon in coma op de intensive care.’
‘Sterkte, meneer.’ Luctor knikt vriendelijk en stapt de lift in. Op de vierde verdieping stapt hij weer uit om op zoek te gaan naar kamer 412. 403, 404… Na even zoeken heeft hij het gevonden. De deur van de kamer van Kokeshi staat open. Ze zit rechtop in bed en staart apathisch voor zich uit. Even twijfelt Luctor of hij wel naar binnen zal gaan. Waarom zou ze op hem zitten te wachten? Hij schudt zijn onzekerheid van zich af en loopt de kamer in. Kokeshi ligt op zaal, maar de drie andere bedden zijn leeg.
‘Hé,’ zegt Luctor ongemakkelijk.
‘Hoi.’ Kokeshi klinkt schor. Haar ogen staan dof.
‘Ik, èh, ik hoorde het verschrikkelijke nieuws…’
Luctor heeft de woorden nog niet uitgesproken of Kokeshi begint hartverscheurend te snikken. ‘Highway probeerde zijn zoon nog te redden, maar Bennie was al gestikt door de rook… en nu ligt Highway zwaargewond op de IC… Ze weten niet of hij het haalt…’
Ook Luctor houdt het niet droog. Hoe vreselijk moet het zijn om in één nacht je zoon en misschien ook wel je man kwijt te raken?
Kokeshi haalt een lapje onder haar kussen vandaan. ‘Bennies lievelingslap. Hij had het in zijn handjes toen Highway hem naar buiten bracht…’
‘En Bennie zelf?’ Vraagt Luctor zacht. ‘Heeft hij…’
‘Brandwonden, ja. We kunnen hem niet eens meer zien… hij is er te erg aan toe.’
Luctor weet niet wat hij moet zeggen, zoveel medelijden heeft hij met Kokeshi.
‘Ik weet wat je denkt,’ zegt Kokeshi. ‘Het is onze eigen schuld. Jij hebt ons aangespoord Goudsrade te verlaten. Dat deden we niet en nu is ons huis in brand gestoken.’
Luctor schudt verwoed zijn hoofd. ‘Zo denk ik helemaal niet. Ik begrijp heel goed dat je je pasgekochte huis niet meteen weer te koop zet. En brandstichting heeft niemand kunnen voorzien.’
‘Iemand heeft mij midden in de nacht uit bed gehaald en naar buiten gebracht, wist je dat?’ Vraagt Kokeshi.
‘Ja, dat wist ik.’ Luctor slikt. ‘Het spijt me je te moeten zeggen, maar de man die je gered heeft is ook dood.’
‘Wat? Maar hoe…’
‘Neergeschoten, vlak daarna. Ze vermoeden althans dat het om dezelfde man gaat, omdat hij geen jas aanhad.’
‘En de dader?’
‘Spoorloos.’
‘Het is vast dezelfde persoon als de brandstichter,’ zegt Kokeshi. Ze slaakt een diepe zucht. ‘Zeg me alsjeblieft dat dit alles een nare droom is.’
Ja, een nare droom, denkt Luctor. Kon hij Kokeshi maar wakker schudden.
Diver geeft plankgas nadat hij is ingevoegd op de snelweg. Hij had niet zo laf moeten zijn en meteen naar de politie moeten gaan. Wat als hij nu te laat is? Dat zou hij zichzelf nooit vergeven. De gedachte dat Polpelping misschien wel dood is door zijn toedoen, is ondraaglijk. Het is geen excuus dat zijn ouders de opdracht hebben gegeven. Hij is verantwoordelijk en niemand anders. ‘Ik maak het goed, broertje,’ mompelt Diver en hij denkt aan het bewijs dat in zijn tas zit. Het dossier met de administratie en de mailwisselingen tussen zijn ouders en de handlangers maakt hopelijk een einde aan alle ellende.
|
|
|
 |
 |
 Sneeuwklokjes
|
18 Februari 2011 | 16:00:48
 |
Sneeuwklokjes
Door: Suuzzz
|
|
|
 |
 1 jaar
|
04 Februari 2011 | 00:26:04
 |
De weblog is vandaag 1 jaar geworden!
|
|
|
 |
 Het dorp (deel IV)
|
03 Februari 2011 | 14:58:28
 |
Het dorp (deel IV)
‘Fijn dat jullie gekomen zijn.’ TanteColl veegt voor de zoveelste keer haar tranen weg.
‘Dat spreekt toch voor zich, Coll,’ zegt Fenjala medelevend.
‘Ja,’ valt Suuzzz bij. ‘Het is niet niks om een vriend te verliezen. En Ruud was tenslotte ook een goede buur van ons.’
‘Het idee dat hij waarschijnlijk vermoord is…’ Snottert TanteColl. ‘Zomaar vergiftigd…’
‘De familie Melfort heeft weer eens genadeloos toegeslagen,’ zegt Flam somber.
‘Hier zitten de Melforts niet achter!’ Het komt er feller uit dan TanteColl bedoeld had. ‘Sorry, Flam, sorry. Maar de Melforts zouden nooit iemand die hier geboren is en adellijk bloed heeft ombrengen.’
‘Misschien hebben ze zich vergist,’ oppert Maus. ‘Dachten ze dat Ruud iemand anders was.’
Fenjala schudt haar hoofd. ‘Dat lijkt me niet. De familie Melfort houdt de adellijke stambomen heel goed bij.’
‘Hoe weet jij dat?’ Vraagt Maus.
‘Dat weet iedereen die het nieuws een beetje volgt,’ zegt Luctor nog voordat Fenjala antwoord kan geven.
TanteColl snuit haar neus. ‘Ik vind het wel heel toevallig allemaal.’
‘Toevallig?’ Vraagt Luctor.
‘Ja, dat Ruud vermoord is vlak nadat het nieuwe gezin hier is komen wonen. Je weet maar nooit wat zij ermee te maken hebben.’
‘Coll, dit mag je echt niet zomaar suggereren.’ Luctor schudt afkeurend zijn hoofd.
‘Ik denk anders wel dat Coll een punt heeft,’ zegt Fenjala. ‘Laatst zag ik die vent bij de bakker. Hij ging tekeer omdat hij vond dat hij te lang op zijn beurt moest wachten.’
‘Dat maakt iemand nog geen moordenaar,’ vindt Flam. ‘Mensen uit het niets beschuldigen is niet oké.’
‘Ik vertrouw het gewoon niet.’ TanteColl neemt een slok van haar koffie. ‘En mijn intuïtie laat me niet vaak in de steek.’
‘Laten we ze in de gaten houden,’ stelt Fenjala voor. ‘Dat kan toch geen kwaad?’
Suuzzz slaakt een diepe zucht. ‘Er is in ieder geval één ding heel duidelijk.’
‘En dat is?’ Vraagt Flam.
‘We lopen allemaal gevaar. Nieuw of niet, en met of zonder blauw bloed.’
Om 1 uur ’s nachts verlaten Stephan en Fee de plaatselijke bioscoop van Meerden.
‘Ik heb nooit eerder zo’n slechte film gezien,’ grijnst Fee.
‘Ik ook niet,’ lacht Stephan. Hij haalt de sleutel uit zijn zak en ontgrendelt zijn auto.
‘Het gezelschap maakte wel veel goed,’ zegt Fee en ze knijpt even in Stephans hand.
Blozend start hij de motor. Hij hoopt dat hij ooit eerlijk tegen haar kan zijn over wat hij hier doet. Voor nu accepteert ze dat hij niks kan loslaten in verband met zijn werk.
‘Weet je, Steef…’ Fee tikt zenuwachtig met haar nagels op het dashboard. ‘Ik ken je dan wel pas een paar dagen, maar ik mag je echt heel graag.’
Stephan wil wat terugzeggen, maar schrikt van een politieagent die hem sommeert te stoppen. Hij draait zijn raampje open.
‘Goedenavond, meneer, alcoholcontrole. Hier even blazen alstublieft.’ De agent houdt een apparaat voor.
Stephan haalt diep adem en blaast uit.
‘Ja, nog even doorblazen… ho maar.’ De agent bekijkt het apparaat. ‘Het is in orde, meneer. Dan zou ik nu graag uw rijbewijs nog even zien.’
‘Mijn rijbewijs…’ Stephan begint nerveus zijn zakken te doorzoeken. ‘Ik, eh, het spijt me, mijn rijbewijs ligt thuis.’
‘Dat is niet zo mooi,’ zegt de agent en hij haalt een notitieblok tevoorschijn. ‘Uw naam?’
‘Stephan de Waal.’
‘Adres?’
‘Aalburgstraat 2, Arnhem.’
‘Heeft u een paspoort of identiteitskaart bij u?’
‘Mijn rijbewijs fungeert tevens als identiteitskaart.’
‘Dat is niet zo mooi,’ zegt de agent weer. Hij loopt naar de voorkant van de auto om ook het nummerbord te noteren. Vervolgens scheurt hij een blaadje van het notitieblok af en overhandigt het aan Stephan. ‘Honderdtwintig euro boete. Ik hoop dat u in het vervolg zorgvuldiger bent. Goedenavond.’
Met het zweet in zijn handen draait Stephan het raampje weer dicht. Voordat hij wegrijdt, kijkt hij in zijn achteruitkijkspiegel. Verbeeldt hij het zich, of is dat dezelfde rode Suzuki die vanochtend achter hem reed?
‘Waarom heb je je rijbewijs niet bij je?’ Vraagt Fee.
‘Gewoon, vergeten.’
‘Oh.’
Een paar minuten later parkeert Stephan zijn auto voor het huis van Fee. Hij merkt wel dat ze het echt stom vindt dat hij zijn rijbewijs niet kon tonen.
‘Ga je nog even mee naar binnen?’ Vraagt Fee.
Stephan knikt. Ze is gelukkig niet op hem afgeknapt.
Fee haalt haar huissleutel uit haar tas en maakt de voordeur open. ‘Ik ga even thee zetten,’ zegt ze als ze hun jassen aan de kapstok hangen.
Stephan loopt alvast de woonkamer in en knipt het licht aan. Fees huis voelt heel vertrouwd, alsof hij hier al jaren over de vloer komt. Hij besluit de kaarsen op de salontafel aan te steken. Op het moment dat hij met een lucifer langs het doosje strijkt, verschijnt Fee in de opening.
‘Nu al klaar met thee zetten?’ Vraagt hij.
Fee antwoordt niet. Met een ijskoude blik staart ze hem aan.
Stephans oog valt op het roze pasje dat ze in haar hand heeft. Zijn gezicht trekt wit weg.
‘Ja, daar schrik je van, hè?’ Zegt Fee. ‘Ik wist wel dat je je rijbewijs bij je had. Ik zag hem in je portemonnee zitten toen je cola bestelde in de bioscoop. Hij zat gewoon in je jaszak.’
‘Fee, ik kan het uitleggen…’
‘Oh ja, kan jij dat?’ Zegt Fee sarcastisch. ‘Wat was je van plan, Polpelping Melfort? Wilde je mij ook vermoorden?’
‘Je begrijpt het niet…’
‘Ik begrijp je inderdaad niet!’ Schreeuwt Fee. ‘Ik bel de politie.’
‘Doe dat alsjeblieft niet.’
Maar Fee heeft haar mobiel al uit haar zak gehaald. Polpelping bedenkt zich geen seconde. Hij rukt zijn jas van de kapstok en rent naar de deur. Hij had verwacht dat Fee hem zou tegenhouden, maar ze blijft staan, met haar mobiel in haar hand geklemd.
Met bijna 120 kilometer per uur rijdt Polpelping over de provinciale weg. Hij dwingt zichzelf om rustig na te denken. Fee heeft gebeld, daar is hij van overtuigd. Ze zijn waarschijnlijk al naar hem op zoek. Waar kan hij naartoe? Naar huis gaan is geen optie; de politie heeft zijn kenteken en dus ook zijn adres. Terug naar de caravan lijkt hem een beter idee. Daar ziet hij wel wat hij verder doet. Ter hoogte van Goudsrade verlaat hij de weg en rijdt hij het bos in. Het bospad is te smal voor een auto, waardoor er takken tegen zijn voorruit slaan. Om schade te voorkomen mindert hij vaart. Plotseling valt zijn oog op enorme rookwolken die boven de bomen uitstijgen. Zou er iets in brand staan? Het lijkt bij het dorp vandaan te komen. Polpelpings nieuwsgierigheid wint het van zijn verstand en hij stapt uit om naar de rand van het bos te lopen. Hij haalt zijn telefoon uit zijn zak om bij te schijnen. Als hij bij de bosrand aankomt, ziet hij tot zijn schrik dat de voorkant van de pasverkochte villa in brand staat. Hij toetst het alarmnummer in op zijn mobiel.
‘Brand op de Sterrenhorstweg te Goudsrade,’ zegt hij gehaast. ‘De grote, vrijstaande villa.’ Hij stopt zijn mobiel weg en rent naar de achterkant van het huis. De deur zit op slot, zoals hij al had verwacht. In de tuin ziet hij een stapel stoeptegels liggen. Hij tilt er een op en smijt het ding zo hard als hij kan tegen de voorruit. Na drie keer gooien barst de ruit open en klimt hij naar binnen. Een stuk glas haalt zijn wang open.
‘Is hier iemand!?’
De rook slaat meteen op zijn keel. Hoestend rent hij de trap op, die zich tot zijn opluchting niet in de gang, maar in de woonkamer bevindt.
‘Hallo!?’
Hij gooit alle deuren die bereikbaar zijn open. In de laatste kamer ziet hij twee mensen in bed liggen.
‘Word wakker!’
Polpelping wordt zo duizelig van de rook dat hij zich even vast moet grijpen aan de kledingkast. Als hij vervolgens naar het bed rent, ziet hij dat de man zijn ogen heeft opengedaan.
‘Meekomen!’ Schreeuwt Polpeling. ‘Jullie huis staat in brand!’
De man zit meteen rechtop. ‘Waar is Benjamin?’
‘Benjamin?’
‘Mijn zoon, verdomme!’ Highway springt uit bed en rent de gang in.
‘Daar kan je niet heen!’ Roept Polpelping. ‘De hele voorkant staat in brand…’
‘Neem mijn vrouw mee, ik ga mijn zoon halen.’ En met die woorden verdwijnt Highway uit het zicht.
Polpelping probeert de vrouw te wekken, maar ze is buitenbewustzijn. Hij tilt haar op en neemt haar mee de trap af. Eenmaal beneden draait hij de knop van de achterdeur om en legt hij haar op veilige afstand van het vuur in het gras. Ze begint zacht te kuchen. In de verte hoort hij een sirene. Hij trekt zijn jas uit en legt hem over de vrouw heen.
‘Ze komen eraan, hou vol,’ zegt hij en hij rent weg, de vuurzee achterlatend.
|
|
|
 |
 Het dorp (deel III)
|
10 Januari 2011 | 22:28:36
 |
Het dorp (deel III)
De jongeman verlaat de caravan, op weg naar de plek waar hij zijn auto heeft geparkeerd. Nu de nacht hem niet kan beschermen besluit hij zo lang mogelijk in het bos te blijven. Het zou rampzalig zijn als hij gezien werd.
‘Gucci, hier!’
De jongeman duikt snel weg achter een heuveltje als hij een man, vrouw en een hond over het bospad ziet lopen. Tot zijn schrik ontdekt hij dat er nog een tweede hond is, die in volle vaart zijn kant uitrent.
‘Gucci!‘
De hond blijft voor het heuveltje staan en snuift. De jongeman drukt zich plat tegen de koude grond. Waarom luistert dat rotbeest niet?
‘GUCCI!!!’
Het dier kwispelt nog even en loopt dan terug naar zijn baasjes.
Oef, dat scheelde niks. Zodra de man en de vrouw uit het zicht verdwenen zijn, vervolgt de jongeman zijn weg. Voor het laatste stuk naar zijn auto moet hij het bos verlaten en zich langs de provinciale weg begeven. Het is het buitengebied van Goudsrade, dus echt raar zullen ze hier niet opkijken van een onbekend gezicht. De langsrazende automobilisten hebben niet eens oog voor hem. Na een minuut of vijf bereikt hij zijn auto, die op een afgelegen landweggetje staat. Hij stapt in en start de motor. Het nieuws van vannacht zal de ochtendkranten nog niet gehaald hebben, maar de middagkrant moet inmiddels gearriveerd zijn. Hij rijdt de rechtdoorgaande weg af en nadert zo’n vijf kilometer later het centrum van Meerden. Op een grote parkeerplaats stalt hij zijn auto. Eerst maar eens wat te eten halen. Hij steekt de weg over om bij de bakker naar binnen te gaan.
‘Dag meneer, wat mag het zijn?’
‘Een frikandelbroodje om op te eten en vier bolletjes om mee te nemen. En oh ja, doe er ook nog maar een halfje bruin bij.’
Als hij even later weer buiten staat, kijkt hij de winkelstraat in. Ah, een Primera. Daar moet hij aan een krant kunnen komen. De dagbladen liggen direct bij de ingang in een rek. Hij vist het NRC Handelsblad er tussenuit en bekijkt de voorpagina.
Echtpaar dood aangetroffen in woning
10 januari - Een ouder echtpaar uit Goudsrade is vanmorgen dood in de slaapkamer aangetroffen door de werkster. Vermoedelijk gaat het om een misdrijf. De politie is een sporenonderzoek gestart. Pagina 3
Hij vouwt de krant dubbel en loopt ermee naar de kassa. De verkoopster, die bezig was de sigarettenpakjes bij te vullen, draait zich om. ‘Goedemiddag.’
Er gaat een schok door hem heen. Het gezicht van dit meisje kent hij uit duizenden.
‘Deze krant alleen?’ Vraagt ze vriendelijk.
‘Eh, ja.’ Verward legt de jongeman de krant op de balie. Hij had niet verwacht dat hij het meisje uit het bos ooit nog eens zou zien.
‘Erg hè?’ Zegt ze en ze wijst naar het artikel over het dode echtpaar. ‘Ik heb even in Goudsrade gewoond. Vlak nadat ik er met mijn ouders naartoe verhuisd was, werden de Melforts actief. We vetrokken meteen weer. Blij toe, want Meerden is veel gezelliger. En als ik dan dit nieuws hoor…’
‘Ja, vreselijk.’ De jongeman pakt nerveus zijn portemonnee uit zijn zak en haalt er twee euro uit.
‘Woon jij ook in Meerden?’ Vraagt het meisje.
‘Nee, ik kom niet uit de buurt.’
‘Jammer.’
Ze staan even zwijgend tegenover elkaar.
‘Nou, dan ga ik maar,’ zegt de jongeman uiteindelijk.
‘Wacht even.’ Het meisje komt achter de balie vandaan. ‘Hoe heet je eigenlijk?’
‘Stephan.’
‘Aangenaam, ik ben Fee.’
Ze schudden elkaar de hand.
Fee kijkt hem verlegen aan. ‘Ik ben over een kwartiertje klaar met werken. Als je zin hebt, kunnen we wat gaan drinken in het café hier tegenover.’
‘Ja, lijkt me leuk.’ Hij had zich heilig voorgenomen het contact met wie dan ook tot het hoogst noodzakelijke te beperken. Maar nee zeggen tegen het meisje dat al jarenlang in zijn gedachten zit, is simpelweg onmogelijk.
Kokeshi drukt net haar verfroller tegen de muur als er wordt aangebeld. ‘High? High!!’
‘Ja ja, rustig. Benjamin kan niet slapen, dus ik heb hem beloofd dat hij nog even wakker mag blijven.’ Highway loopt met zijn zoon op zijn arm naar de deur.
‘Goedenavond,’ zegt de man op het trottoir. ‘Ik ben Luctor. Mag ik even binnen komen?’
‘Aha, dus onze moordenaar is eindelijk gearriveerd,’ zegt Highway bitter.
‘Meneer, ik begrijp dat u zo reageert…’
‘Hebben we bezoek?’ Kokeshi komt met de roller in haar hand en een veeg groene verf op haar gezicht de gang in.
Luctor stelt zich nogmaals voor. ‘Ik eh, het spijt me dat ik jullie stoor…’
‘Geeft niks, jongen,’ zegt Kokeshi en ze neemt zijn jas aan. ‘Kom verder. Niet op de rommel letten hoor, we zijn nog druk bezig met uitpakken.’
Een beetje ongemakkelijk neemt Luctor plaats op de bank. ‘Wat een leuk dochtertje hebben jullie,’ zegt hij om het ijs te breken. ‘Hoe oud is ze?’
‘Zeg, mankeer jij iets aan je ogen?’ Bromt Highway. ‘Het is een jongetje.’
Kokeshi geeft haar man een por. ‘Hij is vorige maand twee jaar geworden. En je hebt gelijk, zijn haar wordt wat lang.’
‘Is dat enge meneer, papa?’ Vraagt Benjamin en hij drukt zich dicht tegen zijn vader aan.
‘Nee, Bennie.’ Liegt Highway.
‘Jullie vragen je vast af wat ik kom doen,’ zegt Luctor, die maar geen nieuwe poging doet om de sfeer te verbeteren. ‘Zoals jullie ongetwijfeld vernomen hebben is er afgelopen nacht een echtpaar vermoord dat oorspronkelijk niet uit Goudsrade komt. Nu wil het geval dat jullie ook van buiten komen, van buiten de gemeente zelfs…’
‘Je gaat ons toch niet vertellen dat je van mening bent dat we zo snel mogelijk weer moeten verkassen, hè?’ Merkt Highway op.
‘Nou…’ Luctor loopt rood aan. ’Eerst zag ik niet zoveel bezwaren, maar sinds het misdrijf van vannacht…’
‘Zie je ons graag vertrekken, jaja. Luister ventje, de hele inteeltbende hier doet al poging na poging om ons weg te krijgen. Bij de bakker heb ik een halfuur moeten wachten voordat ik werd geholpen, terwijl een of ander wijf dat veel later de winkel in kwam meteen aan de beurt was. Kok en ik krijgen continu afkeurende blikken toegeworpen van zielige mensen die het hier helemaal gemaakt denken te hebben. Dat is allemaal nog tot daar aan toe. Maar dat we nu verdomme ook al thuis lastig gevallen worden!’
‘Meneer, u begrijpt me verkeerd,’ stamelt Luctor. ‘Ik ben hier met de beste bedoelingen, ik zou niets liever willen dan dat jullie een prima leven kunnen leiden in dit dorp. Ik vrees echter dat dat onmogelijk is.’
‘Mijn huis uit.’ Highway staat zo resoluut op dat Benjamin ervan schrikt en begint te huilen.
‘High, alsjeblieft!’ Kokeshi neemt Benjamin van hem over. ‘Je kunt beter gaan, Luctor. Ik laat je even uit.’
Luctor knikt en loopt timide de gang in.
‘Sorry, jongen, als mijn man zo’n bui heeft valt er niet met hem te praten. Ik waardeer het dat je ons gewaarschuwd hebt. We zullen voorzichtig zijn.’
‘Fijn,’ zegt Luctor, maar hij is allesbehalve gerustgesteld.
De volgende ochtend rent TanteColl in paniek het plein van de Triviawaard op. ‘Ruud ligt dood op de bank!’ Gilt ze. ‘Hij is vermoord!’
Flam doet geschrokken haar voordeur open. ‘Coll?’
‘Hij is dood!’ Schreeuwt TanteColl. ‘Ik ging bij hem op bezoek, maar hij deed niet open, toen heb ik bij mij thuis de sleutel gehaald en…’ Ze begint te hyperventileren.
‘Even rustig ademhalen,’ zegt Flam terwijl ze naar buiten loopt. ‘Heb je 112 gebeld?’
‘Ja, maar het heeft geen zin… TanteColl barst in snikken uit.
‘Weet je zeker dat hij dood is?’
‘Zo goed als…’
Fenjala en Luctor komen ook het plein op. ‘Is Ruud…?’
‘Ja,’ snikt TanteColl. ‘Mijn beste vriend…’
‘De ambulance komt er zo aan,’ vertelt Flam.
‘Ik hoor de sirene al.’ Luctor trekt zijn buurtgenoten naar de kant, zodat de ziekenwagen het huis van Ruud goed kan bereiken.
Nog geen minuut later staat de ambulance in de waard.
‘Jullie moeten daar zijn!’ Schreeuwt TanteColl. ‘Dat huis!’
De verpleegkundige rent het huis van Ruud binnen, gevolgd door de chauffeur. Flam, Fenjala en Luctor slaan een arm om TanteColl heen.
|
|
|
 |
 Het dorp (deel II)
|
07 Januari 2011 | 00:26:36
 |
Het dorp (deel II)
Luctor geniet van het winterse zonnetje als hij naar buiten loopt om de post uit de brievenbus te halen. Hij zwaait naar zijn buurvrouw, die zojuist de Triviawaard binnenrijdt. Ze zet haar auto op de oprit en loopt meteen naar Luctor toe. ‘Wat ik nou toch gehoord heb…’
‘Vertel.’
‘Ik kom net bij een vriendin vandaan. Het huis naast haar dat al een jaar te koop stond, is verkocht.’
‘Eh, dus?’ Luctor begrijpt niet waarom Fenjala daar zo van onder de indruk is.
‘Aan een echtpaar uit Rotterdam. Rotterdam! Dat geloof je toch niet?’
‘Hm.’ Luctor krabt op zijn voorhoofd. ‘Dat is merkwaardig. Het is algemeen bekend dat nieuwkomers hier niet goed aarden.’
‘Precies!’
‘Maar het wordt tijd dat we daar eens verandering in gaan brengen.’
Fenjala kijkt Luctor geschrokken aan. ‘Terwijl de familie Melfort nog ergens vrij rondloopt? Ben je vergeten wat er destijds gebeurde met degenen die aanpapten met nieuwkomers?’
‘Destijds ja, dat is inmiddels vijftien jaar terug,’ zegt Luctor. ‘Het moet nu maar eens afgelopen zijn met het buitensluiten van nieuwe dorpsbewoners. Aan ons de taak om ze te helpen.’
‘Nou, ik kijk wel drie keer uit,’ snuift Fenjala. ‘Wat jij doet moet je zelf weten… Ik ga de rest van de Waard even informeren.’ En ze loopt naar de overkant, richting het huis van Maus en Suuzzz.
De jongeman haalt opgelucht adem als hij ongezien het bos heeft bereikt. Het dorp is in al die jaren niks veranderd, midden in de nacht waant niemand zich op straat. Hij blijft even staan om na te denken. Waar was het ook alweer? Toch wel zo’n driehonderd meter het bos in, en iets meer richting het oosten. Na een paar minuten lopen knipt hij zijn zaklamp aan. Hij hoopt maar dat ze het ding niet hebben weggehaald. Een tent opzetten met min tien is geen aantrekkelijk vooruitzicht. Hij schijnt met de zaklamp om zich heen, op zoek naar een punt van herkenning. Toen hij op de basisschool zat heeft hij hier met zijn klasgenoten paddenstoelen gezocht en verstoppertje gespeeld. Dit is de plek waar hij haar voor het eerst zag, het meisje van de Vlinderschool. En hoewel zij hem waarschijnlijk nooit heeft gezien, is hij haar nog altijd niet vergeten. Zijn oog valt op een open vlakte als hij de zaklamp wat verder voor zich uit schijnt. Wacht eens, denkt hij, stond de caravan daar niet vlak achter? Hij doet het licht uit omdat hij niet het risico wil lopen gezien te worden en steekt de vlakte over. Hij is blij dat de maan schijnt, anders had hij niet geweten wanneer hij aan de overkant was. Als hij veilig tussen de bomen staat knipt hij zijn zaklamp weer aan. Nog een klein stukje verder… En daar ziet hij de caravan staan, oud en vervallen, achter een grote struik. De deur zit vastgevroren, waardoor hij hard moet trekken om hem open te krijgen. Eenmaal binnen wordt hij overvallen door een muffe geur. Hij zet zijn tas op de grond en inspecteert de ramen. De schade valt mee, er ontbreekt er slechts één. Met een vies gezicht bekijkt hij het interieur. Het aanrechtblad, de tafel, de stoelen, het bed… alles is bedekt met een dikke laag stof. Met zijn verstand op nul haalt hij een slaapzak en drie dekens uit zijn tas, waarvan hij er een op het oude matras legt. Het zullen koude nachten worden en hij zal verlangen naar zijn schone, warme huis, maar hij zal deze plek niet verlaten voordat hij zijn doel heeft bereikt.
‘Wat is hier aan de hand?’ Flam en TanteColl kijken verbaasd op als ze ’s morgens op weg zijn naar de supermarkt en zien dat de weg afgesloten is.
‘Plaatsdelict,’ antwoordt een omstander. ‘Een bejaard echtpaar dat hier vijf jaar geleden is komen wonen is dood aangetroffen. Allebei tegelijk, opmerkelijk nietwaar?’ De man kan de grijns op zijn gezicht nauwelijks onderdrukken.
‘Hemeltjelief.’ Flam slaat haar hand voor haar mond.
‘Ja, het is lang geleden dat hier iets sensationeels is gebeurd,’ zegt de man. ‘Ik sta al een uur te kijken.’
TanteColl trekt Flam mee een andere straat in. ‘Enge vent. Kom op, we lopen wel zo.’
‘Ze zijn terug,’ zegt Flam gedecideerd.
‘Wie?’ Vraagt TanteColl.
‘De Melforts.’
|
|
|
 |
 Het dorp (deel I)
|
05 Januari 2011 | 00:06:03
 |
Het dorp (deel I)
Hij voelt een intense haat opkomen wanneer hij de fles op het aanrechtblad vult met een kleurloze vloeistof. Zodra ze één poot uitsteken zal hij ze dwingen te drinken. Geweld zal hij niet schuwen, al wordt hij nog zo misselijk van bloed. Het handvat van het mes in zijn binnenzak drukt tegen zijn borst. Al die jaren heeft hij zich niet in het dorp durven vertonen, maar dat is nu afgelopen. Het is tijd voor wraak.
‘Kom maar, Bennie.’ Highway tilt zijn zoon op en loopt achter Kokeshi aan het makelaarskantoor binnen.
‘Goedemiddag,’ zegt de receptioniste. ‘Kan ik u helpen?’
‘Wij hebben een afspraak met meneer van Reer,’ antwoordt Kokeshi.
‘Dan mag u daar even plaatsnemen.’ De receptioniste wijst naar een tafel in de hoek. ‘Meneer van Reer komt zo bij u.’
Highway haalt zijn mp3-speler tevoorschijn. ‘Wat gaan we luisteren, Bennie?’
‘Dillie!’ Kirt Benjamin.
‘Oh High, ons ventje is toch nog veel te klein voor dat soort muziek.’
‘Mijn vader liet me anders ook al op mijn tweede lp’s van Bob Dylan horen,’ zegt Highway verontwaardigd. ‘Kijk nou hoe leuk hij het vindt.’
‘Hee missur tambwin man!’
‘Zachtjes zingen, Bennie,’ zegt Kokeshi. ‘We zijn hier in een kantoor.’
Highway aait Benjamin over zijn blonde krullen. ‘Wat een slimme zoon hebben we toch, hè? Logisch natuurlijk, ik ben zijn vader.’
‘Hij lijkt meer op mij,’ lacht Kokeshi.
Na vijf minuten wachten komt er een man naar hen toegelopen. ‘U bent de familie van Bruggen?’
Highway en Kokeshi knikken.
‘Mijn naam is Frank van Reer.’ Hij geeft het echtpaar een hand en glimlacht naar Benjamin, die nog steeds vrolijk meezingt met zijn muziek. ‘Loopt u mee.’
Highway en Kokeshi volgen de makelaar naar zijn kantoorruimte en nemen plaats. ‘Goed, u bent van plan een huis te kopen in deze omgeving.’
‘Dat klopt.’ Kokeshi zet de muziek van haar zoon uit, zodat hij stil is. ‘In Goudsrade om precies te zijn.
‘Goudsrade?’ De makelaar kijkt Kokeshi met open mond aan. ‘Kent u de geschiedenis van dat dorp?’
‘We weten dat er ooit eens een paar moorden gepleegd zijn ja,’ zegt Highway. ‘En wat dan nog? Je kan overal vermoord worden.’
‘Het ligt iets gecompliceerder.’ De makelaar schraapt zijn keel. ‘Van oudsher zijn de inwoners van Goudsrade van adel. Het wordt over het algemeen niet gewaardeerd wanneer er mensen van buitenaf in het dorp komen wonen. Vijftien jaar geleden heeft een familie een netwerk opgezet om nieuwkomers om te brengen. Toen de politie het netwerk op het spoor dreigde te raken, is de hele familie naar het buitenland gevlucht. Sindsdien is het rustig in het dorp, maar nieuwe inwoners worden nog steeds geboycot. Vandaar dat er bijna nooit iemand naartoe verhuist.’
Highway haalt zijn neus op. ‘Het kan me geen ruk schelen als ik word geboycot, met de inwoners heb ik niks te maken.’
‘We hebben Goudsrade bezocht en vinden het een prachtig dorp,’ zegt Kokeshi. ‘Omgeven door rust en groen, precies wat we zoeken voor ons zoontje. Door een paar norse inwoners laten wij ons niet afschrikken, hoor.’
‘U weet zeker dat u niet liever in Meerden wilt wonen?’ Vraagt de makelaar. ‘Dat ligt in dezelfde gemeente en heeft veel speelgelegenheden voor uw kind.’
‘We willen in Goudsrade wonen en nergens anders,’ zegt Highway geïrriteerd. ‘Gaat u ons nog helpen of moeten we een ander kantoor zoeken?’
‘Pardon, natuurlijk help ik u.’ De makelaar typt iets in op zijn laptop. ‘Even kijken, Goudsrade… Er staan drie huizen te koop.’
‘Wij zijn geïnteresseerd in het huis aan de rand van het bos,’ zegt Kokeshi. ‘Op de Sterrenhorstweg.’
‘Deze jaren dertig villa dus.’ De makelaar draait zijn laptop om om de foto te laten zien. ‘Ik heb uw gegevens doorgenomen en financieel is er in ieder geval geen probleem.’
‘Ik heb een eigen bedrijf,’ zegt Highway trots.
‘We kunnen om te beginnen een bod doen dat flink onder de verkoopprijs ligt, want het huis staat al dertien maanden te koop,’ vertelt de makelaar.
‘Lappie is weg!’ Roept Benjamin ineens verschrikt uit en hij begint te huilen. ‘Lappie, Lappie…’
‘Sst, Bennie. Mamma heeft Lappie in de tas.’
‘Nee hoor,’ zegt Kokeshi. ‘Hij wilde Lappie zelf vasthouden onderweg hier naartoe.’
‘Dan zijn we dat stinkding verloren.’ Highway slaakt een diepe zucht. ‘Stil maar, Bennie.’
Maar Benjamin is ontroostbaar. Kokeshi neemt hem alvast mee de gang op terwijl Highway het gesprek met de makelaar afhandelt.
‘Na de inspectie op verborgen gebreken neem ik contact met u op,’ zegt de makelaar. Hij geeft Highway voor de tweede keer een hand. ‘Tot ziens.’
Kokeshi en Highway lopen de ontvangstruimte weer in en groeten de receptioniste boven het gebrul van Benjamin uit.
‘Kijk eens, Bennie, wat daar ligt?’ Kokeshi wijst naar de plek waar ze op de makelaar hebben gewacht en zet haar zoon op de grond.
‘Lappie!’ Benjamin duikt onder de tafel om zijn doekje op te rapen.
‘Godzijdank,’ zegt Highway en hij geeft Benjamin een hand, die nu lacht door zijn tranen heen.
|
|
|
 |
 :)
|
24 December 2010 | 19:19:53
 |
|
|
 |
 Het kerstverhaal (deel VI, slot)
|
24 December 2010 | 16:52:20
 |
De val van de Vinger
Een half uurtje nadat de herders waren vertrokken werd er op de deur van de stal geklopt. Suuzzz was net bezig de haren van de Os te kammen (de ezel liet haar Siberisch ondanks dat ze zo’n dierenvriend was). Ze liet de kam vallen en de deed de deur open. Een vrouw van eind veertig stond voor de stal. “Hallo, ik ben Buufie de buurvrouw, zijn jullie ontheemd?”. Suuzzz mocht de vrouw meteen. Ze had een aangename uitstraling. Toch bleef ze op haar hoede; de Vinger liep immers nog steeds vrij rond. “Ach het winterweer hè”, zei Suuzzz, “maar we zijn echte avonturiers, dus wat geeft het”. “Kom toch met mij mee”, zei Buufie, “hier is het veel te koud”.
Een paar minuten later liepen drie wijzen, een moeder met een baby, een stiefvader, een os en een ezel achter de buurvrouw aan. De twee dieren hadden ze maar meegenomen, al was het alleen maar om hen geen eenzame kerst te laten hebben.
De kerstsfeer zat er meteen goed in. Buufie serveerde een kerststol en warme chocolademelk en zette vrolijke kerstmuziek op. Vervolgens verdween ze de schuur in, met één van de schapen die ze uit de achtergebleven kudde had meegenomen naar haar huis. Er moest tenslotte wat op tafel komen die avond en het gezelschap was groot en bovendien erg onverwacht. Het kostte haar veel moeite het dier te slachten. Niet zozeer omdat ze daar geen ervaring mee had, maar ze werd constant in de weg gezeten door Suuzzz, die hevig protesterend op allerlei manieren probeerde de slachtpartij te voorkomen. Uiteindelijk was het Jip die haar beet, sloeg en meetrok naar de woonkamer. Per sms had zij contact met Polpelping om hem en de andere herders te voorzien van gevraagd en ongevraagd advies omtrent de missie die ze hadden te voltooien.
Het zou lang duren voordat de herders zouden terugkeren. Om de spanning te doorbreken introduceerde Kokeshi de Os (van wie Suuzzz er op had gestaan dat ook zij en de ezel in de warmte van de woonkamer de kerst konden doorbrengen) opnieuw het triviantspel. Buufie zette een fles wijn en een karaf water op tafel, waarvan Rocbobbie besloot deze onmiddellijk in bier te veranderen.
Later werd het schaap geserveerd en vermenigvuldigde Rocbobbie de aanwezige stokbroden. Er werd gevreten alsof het kerstmis was en de drank vloeide als nooit tevoren. De enige die nuchter bleef was Jip. Ze had al enige tijd niets meer van Polpelping gehoord en ze maakte zich zorgen. Zouden ze er in geslaagd zijn de Vinger te vinden? Leefden ze nog? Ze besloot weinig van haar spanning aan de anderen te laten merken, maar bleef bijzonder alert. De rest feestte alsof het een lieve lust was. Het was zó gezellig dat niemand merkte dat _O_ door TanteColl werd meegetrokken naar de slaapkamer van Buufie. TanteColl plofte neer op het bed. Terwijl _O_ de gordijnen sloot, zag hij zijn ooghoek iets wegschieten. “Ik ben echt dronken”, zei hij tegen TanteColl, “ik meende serieus dat ik een heks op een bezemsteel zag vliegen”. “Kom hier gekkie”, schaterde TanteColl, “Ik ben maar in één bezemsteel geïnteresseerd op dit moment….”.
De zon kwam rond een uur of acht op de volgende morgen. De meeste gasten waren diep in slaap. Suuzzz en Jip zaten aan de keukentafel van Buufie en zwegen. “Ze komen niet meer terug”, verbrak Jip de pijnlijke stilte. Suuzzz keek haar aan met een gezicht die op sommige internetsites wordt omschreven als :((.
Op dat moment werd de achterdeur opengezwaaid. Suuzzz slaakte een gilletje van schrik. In de deuropening verschenen Maus, Fenjala en Polpelping, gevolgd door de lama en de berggeit. De enige die er nog een beetje fatsoenlijk uitzag was Fenjala. Maus zat onder de schrammen, Pol had bloed in zijn gezicht, Loesje de lama liep mank en Pinda de berggeit had geen sik meer. Jip stationeerde de gewonden aan de keukentafel en maakte de anderen wakker. Buufie keek haar nieuwste gasten bedenkelijk aan en zocht de verbandtrommel. “Misschien is het noodzakelijk dat we even naar de huisartsenpost gaan”, zei ze. “Doe eerst jullie verhaal”, zei Luctor gespannen, “ik brand van nieuwsgierigheid”. Ze gingen in een kringetje om de herders heen zitten.
“Goed”. Maus schraapte zijn keel en stak van wal. “Laat ik jullie vertellen hoe onze missie verliep. Polpelping kan moeilijk praten, want zijn wang is verdoofd. En Fenjala is te dronken”. De anderen fronsten. “Op jullie aanwijzing zijn we naar Utrecht gegaan. Het kostte ons uren om de Vinger te vinden, maar op de kraamafdeling van het UMC was het raak. We konden een brute, meervoudige moord ternauwernood voorkomen. Helaas had ze ons te vroeg door en vluchtte ze via het raam. Gelukkig hadden we Loesje en Pinda buiten laten staan en zij zetten de achtervolging in. Pinda raakte kort met haar in gevecht, waarbij de Vinger gewond raakte. Helaas kon ze ontsnappen.
Affijn, om een lang verhaal kort te maken, via jullie (Maus wees op de drie wijzen, die kennelijk over de modernste apparatuur beschikten) kwamen we erachter dat Vinger haar wonden liet behandelen bij een dokterspost in Doorn.
Het kostte ons heel veel tijd om daar te komen. Allereerst kreeg Fenjala een zenuwinzinking. Die held hebben we eerst in een dance-bar moeten droppen. We dachten toen wat meer voortgang te kunnen boeken, maar helaas. Tussen Zeist en Doorn ging het onweren. Loesje zette geen stap meer vooruit. Pindakaaskop moest wel een kwartier op haar inpraten en pas toen het onweer een beetje begon weg te ebben, konden we verder. Toen we bij Doorn aankwamen, bleek de Vinger ons natuurlijk al lang ontglipt te zijn.
We waren radeloos. We zijn, ten einde raad als we waren, maar willekeurig mensen gaan aanspreken met een signalementje. We hadden geluk. Ondanks dat er zo laat nog weinig mensen op straat waren, had een avondwandelaar haar het bos in zien gaan. Het was opgevallen, want het scheen dat ze zich nogal vreemd genoeg. We hadden opnieuw geluk. Het had gesneeuwd en daarom was het bos minder donker dan normaal. We vonden haar na een minuut of tien zoeken achter een braamstruik. Pol probeerde als eerste toe te slaan, maar ze was hem een stap voor. Ze sloeg hem zo hard, dat hij nu geen gevoel meer in zijn wang heeft. Loesje gaf haar een flinke trap, gevolgd door een harde kopstoot van Pinda. Uiteindelijk kon Pol op haar gaan zitten, waarna we….”. Maus slikte even. Pol werd bleek. “We….Pol….had haar arm vast en ……we….. konden niet anders dan haar ombrengen met haar eigen Dodelijke vinger…”. Maus begon te snikken. Hoe naar die Vinger ook was, hij had nooit iemand willen doden. Suuzzz legde haar arm om hem heen. “Je hebt ons voor veel kwaad behoed. Je bent een held”, zei ze. “Wat hebben jullie met haar lichaam gedaan?”, vroeg Jip. “Begraven in de sneeuw”, mompelde Pol gekunsteld. “Wat waren haar laatste woorden?”, vroeg TanteColl nieuwsgierig. “Haar laatste woorden waren: ‘als die stomme heks me nu maar eerder had geïnfor…’ en toen was het klaar. We snapten er niet veel van”, zei Loesje de lama.
Het bleef even stil. “Man, man, wat een avontuur”, zei Buufie, “ik stel voor dat jullie nu eerst even lekker tot rust komen. We maken het een beetje gezellig en zorgen dat iedereen weer de oude wordt. Vanavond geef ik een groot feest om de geboorte van Rocbobbie te vieren! En zo ging het. Het werd een knallend feest met veel champagne, muziek en gedans. Flam werd opgehaald door Polpelping en zij zorgde voor veel vuurwerk. Zoveel, dat ze uiteindelijk de bijnaam Cupido kreeg…
Ver van het feestgewoel stond Heksje zenuwachtig voor de troon van Doossieh. De koningin keek haar lang en vals aan. Ze zweeg. Heksje bezweek bijna onder de ijzige stilte. Toen stond de Koningin op en beende woedend de troonzaal uit. Niemand heeft ooit nog wat van haar vernomen.
Het was vroeg in de morgen. Ergens op de Utrechtse heuvelrug lag een grote bult sneeuw. Het sneeuwde nog altijd en de bult werd groter en groter. Na lange tijd kwam de sneeuwbult heel langzaam in beweging. Een vroege ochtendwandelaar bleef staan en keek verbaasd wat er gebeurde. Hij moest goed kijken om het te zien, maar uit de berg kwam heel langzaam een vinger tevoorschijn….
EINDE
|
|
|
 |
 Het kerstverhaal (deel V)
|
23 December 2010 | 18:22:52
 |
De stal II
Het was gezellig druk geworden in de stal. De herders hadden in eerste instantie met verbazing gereageerd op wat ze aantroffen nadat ze de deur hadden geopend. Maar Luctor had, met historische verwijzingen, uit de doeken gedaan wat er was gebeurd en de herders vonden het een eer dat ze dit wonderkind als een van de eersten mochten aanschouwen. Ondertussen hadden Pinda de berggeit en Loesje de lama zich naast Kokeshi de os genesteld in het warme stro. “Zullen we een potje Trivianten?”, had Kokeshi gevraagd. “Er moet hier nog ergens een verouderde versie van dat spel liggen”. Al snel waren er teams gevormd en de kersverse trivianters had Fenjala gedwongen haar veldfles aan de rest van de groep ter beschikking te stellen. Sommige spelers waren overduidelijk fanatieker dan anderen. Loesje en Pinda waren zeer bedreven, maar werden tot hun grote verbazing telkens weer verslagen door Rocbobbie. Kokeshi deed ook actief mee, maar liet zich continue afleiden door gesprekken tussen Maus en Polpelping, die zich maar weinig voor het spel interesseerden. TanteColl was intussen wondersnel aan het herstellen en keek Maus en Pol om de beurt verlekkerd aan. De verleidingspogingen bleven echter onbeantwoord.
Het werd later en later en de veldfles werd leger en leger. De gezelligheid werd bruut onderbroken door de deur die openzwaaide. Een jonge man van in de twintig stapte de stal binnen, gevolgd door een jong meisje met wat blauwe plekken en een dame van een jaar of veertig. De trivianters keken hen behoedzaam aan. “Wij hebben begrepen dat hier een wonder is geschiedt”, sprak de enige man uit het nieuwe gezelschap. “Klopt”, zei Rocbobbie, “en nu kom jij aapjes kijken zeker?”. “Roc, doe eens betamelijk”, zei Luctor, “met wie hebben we hier het genoegen?”. “Wij zijn de drie wijzen uit de lage landen”, zei het meisje met de blauwe plekken. “Ik ben Jip. Zij heten _O_ en Suuzzz. We vonden de stal doordat ik op mijn nieuwe mobiele telefoon een hele leuke applicatie heb waarop je sterren kunt zien. En één ster zag er wel héél bijzonder uit, dus we wisten meteen waar we moesten zijn”. Trots showde ze haar telefoon aan de aanwezigen. “Én we hebben cadeautjes meegenomen”, vervolgde Jip, “we wilden eerst mirre, wierook en goud meenemen, maar dat was op korte termijn niet verkrijgbaar, dus…”. “Leugenaar!”, riep de wijze die Suuzzz heette, “jij vond het te duur”. Jip keek geërgerd naar Suuzzz en beet haar in haar arm. Suuzzz slaakte een kreetje van pijn en gaf Jip een schop. _O_ keek hoofdschuddend toe. Hij was dit tafereel wel gewend. Maus en Polpelping sprongen op en trokken de dames uit elkaar. Maus pakte Suuzzz vast. Ze keken elkaar in de ogen en er sloeg een vonk over.
De vonk heette Flam. Omdat dit voor een kerstverhaal wel erg veel opeenvolgende gebeurtenissen waren, vond Pol dat Flam zich eerst nog maar even afzijdig moest houden en parkeerde haar op een stukje grond waar geen stro lag. Morrend ging Flam zitten. “Bij Oud en Nieuw krijg je een grotere rol in het verhaal”, beloofde Pol, “goed jullie zeiden iets over…..cadeautjes?”
“Ja”, zei Suuzzz, en ze overhandigde TanteColl een lekkere fles wijn. “Dankjewel”, mompelde TanteColl, terwijl ze duidelijk afgeleid werd door de aanwezigheid van de enige mannelijk wijze. _O_ stapte naar voren en overhandigde zijn cadeau, een six-pack met lekker koud bier. TanteColl uitte haar dankbaarheid door _O_ een stevige pakkerd te geven. Ze prikte eventjes in zijn buik. _O_ bloosde. Rocbobbie zag dit alles met grote ogen aan en zei: “aaaah, eindelijk een pilsje. Hij griste het six-pack uit de handen van zijn moeder”. Jip had twee cadeautjes bij zich. Een pak thee en een grote familiezak patat. Suuzzz keek in haar tas en vroeg zich af waar het andere cadeautje was, wat ze voor het wonderkind had gekocht. Het was een knuffel in vorm van een eend. Jip bloosde en manoeuvreerde zich subtiel naar de zijkant van de stal. Achter Kokeshi liet ze de eend in het stro vallen. Polpelping keek haar aan en vroeg: “Hoe kom je aan die blauwe plekken?”. “Ik ben van de Heuvelrug afgevallen”, zei Jip, “Er stond een plant die ik nog niet eerder had gezien en iemand had het licht uitgedaan”. Suuzzz trok een gezicht die op sommige internetsites als :S omschreven wordt. Pol maakte een gebaar naar Jip dat op sommige internetsites als :caress: omschreven wordt. De wijzen namen plaats in de kring. De stal was eigenlijk te klein om zo’n groot gezelschap te herbergen, maar het was gezellig en warm. De drank en de thee vloeiden en de aanwezigen genoten van de door Jip meegebrachte patat. De wijzen waren bijzonder geïnteresseerd in het wonderkind en gingen stevige discussies met hem aan over de zin van het leven en het woord dat hij zou gaan verkondigen. Ook de rest vermaakte zich met gepraat, getriviant en gediscussieer. De enige die zich op de vlakte hield was Luctor. Hij frunnikte aan het stro en keek peinzend voor zich uit. Op een gegeven sloeg hij met een vlakke hand op de kribbe om de aandacht te trekken. “AU!!”, zei Ruud85NB. “Stel je niet zo aan”, zei Suuzzz tegen Ruud85NB, “en blijf in je rol alsjeblieft. Kribbe’s praten niet”.
“Ik wil even iets zeggen”, sprak Luctor. “Ik vind het heel leuk dat jullie het zo naar je zin hebben hier, maar jullie vergeten één ding. Buiten loopt nog steeds die ellendige Vinger rond, op zoek naar míjn zoon!”. “Het is niet jouw zoon”, verbeterde Jip hem, “maar ik snap de zorgen die je hebt”.
“Waarom denken jullie dat de Grote der Groten jullie hierheen heeft gestuurd?”, vervolgde Luctor zijn betoog, “hij stuurt vast niet een paar wijzen en een paar herders om een beetje schaapachtig naar zijn zoon te laten staren! Nou?”. Langzaam begon het tot de gasten door te dringen wat hun rol zou moeten zijn. “Goed”, zei _O_, “we bedenken een plan”. De wijzen trokken zich terug in een hoekje. De anderen keken hen verwachtingvol aan. Jip haalde regelmatig haar telefoon tevoorschijn en _O_ was zichtbaar veel aan het rekenen. Na een intensieve beoordeling van het probleem, presenteerden de drie wijzen een plan van aanpak. De herders zouden op zoek moeten gaan naar de Vinger. De wijzen konden hen nauwkeurig uitleggen waar ze zich zou moeten bevinden. Het was inmiddels ochtend geworden. Polpelping, Maus en Fenjala sliepen een paar uurtjes, deden hun muts op en vertrokken. Ze namen alleen Loesje de lama en Pinda de berggeit mee. De schapen lieten ze achter.
|
|
|
|
|
|